Overslaan en naar de inhoud gaan

De rekenkamer als parrhesiast

Gepubliceerd op:
woensdag 20-05-2026
Gepubliceerd door:
Secretariaat

De rekenkamer als parrhesiast

Etienne Lemmens, bestuurssecretaris VvR

De Vereniging van Raadsleden heeft net de week van de rekenkamer afgesloten, speciaal bedoeld voor nieuwe raadsleden. Het is bemoedigend dat er veel aandacht is voor de rol van de rekenkamer in het lokale democratische bestel. Meestal gaat het rustig in dat bestel: de verhoudingen zijn werkbaar en bevindingen, conclusies en aanbevelingen vallen in goede aarde bij raad, college en ambtelijk apparaat. Maar soms kan het knetteren, omdat de spiegel die de rekenkamer het bestuur voorhoudt te confronterend wordt gevonden. Dan kan de positie van de rekenkamer onder druk komen te staan.

Vergeef me een kort filosofisch uitstapje. Michel Foucault wijdde in 1983 een reeks lezingen aan de University of California in Berkeley aan een begrip uit de Griekse oudheid dat dit vraagstuk raakt: parrhesia. Het woord betekent letterlijk “alles zeggen” en wordt ook wel vertaald als “vrijmoedig spreken.” Maar Foucault liet zien dat parrhesia meer is dan dat. Het is niet zomaar eerlijk zijn. Het is de waarheid spreken wanneer dat riskant is, tegenover iemand die macht over je heeft.

De parrhesiast is dus niet degene die op een gemoedelijk feestje zijn mening durft te geven. De parrhesiast is de adviseur die tegen de machthebber zegt dat zijn beleid slecht uitpakt, wetende dat hij daarmee zijn positie of zijn leven riskeert. Dat laatste zal in de context van onze lokale democratie wel meevallen, maar de reactie op een onwelgevallige boodschap kan zeker de positie van de rekenkamer raken. De rekenkamer heeft wel wettelijke bevoegdheden, bijvoorbeeld recht op informatie, maar voor het effect van haar werk is zij aangewezen op bestuurlijke verhoudingen. Die verhoudingen zijn precair, want de rekenkamer brengt gevalideerde onderzoeksbevindingen in een politieke arena.

Je moet als rekenkamer dan zeker weten dat de boodschap terecht is. Dat hangt af van de kwaliteit van het onderzoek en de rapportage. Als je daarvan overtuigd bent, moet je er ook voor gaan staan. Zo heb ik een keer de opmerking van een wethouder dat een conclusie en aanbeveling in het rekenkamerrapport “wel heel gedurfd was” gepareerd met “democratie is niet voor bange mensen” (vrij naar Carel Polak, 1968).

Bij Foucault is parrhesia geen eenrichtingsverkeer. Vrijmoedig spreken vraagt om vrijmoedig luisteren, en het is precies die tweede kant die in een gespannen bestel het eerst onder druk staat. Wanneer een onwelgevallige boodschap wordt beantwoord met procedurele tegenwerping, met een aanval op de toon, met het vermoeden van politieke motieven van de onderzoeker, dan is dat niet het normale spel van bestuurlijke reactie. Dan is dat het sluiten van een feedbackloop voordat het signaal binnen is. De rekenkamer kan de boodschap nog zo zorgvuldig opbouwen; als de ontvangende kant het horen onmogelijk maakt, is parrhesia nergens aanwezig. Goed bestuur vraagt daarom niet alleen om rekenkamers die durven, maar ook om colleges, raden en ambtelijke organisaties die het ongemak van eerlijke feedback aankunnen zonder de boodschapper weg te schuiven. Dat is geen kwestie van bestuurlijke beleefdheid maar van zelfbehoud: een organisatie die alleen nog complimenten verdraagt, leert niet meer over zichzelf.


NB Naarmate de datum waarop dit bericht gepubliceerd is verder in het verleden ligt, neemt de actualiteitswaarde af. Ook kan het bericht ingehaald zijn door de nieuwe actualiteit. Raadpleeg indien nodig ook andere bronnen.