Overslaan en naar de inhoud gaan

213a-onderzoek: Van verplichting naar kans

Gepubliceerd op:
woensdag 30-09-2026
Gepubliceerd door:
admin

213a-onderzoek: Van verplichting naar kans

Pleidooi rekenkamer voor een brede evaluatie van beleid

bijdrage van Rekenkamer Huizen

Inleiding

De Rekenkamer van gemeente Huizen heeft sinds 2021 bij het college aangekaart dat deze geen werk maakt van de wettelijke taak om de doeltreffendheid en doelmatigheid van het door de gemeente gevoerde bestuur te onderzoeken (artikel 213a-onderzoeken). Om de raad hierover beter te informeren heeft de rekenkamer Huizen in 2025 besloten een onderzoek te doen naar de uitvoering van de 213a-onderzoeken in Huizen. De reikwijdte van artikel 213a was een bespreekpunt met het college en met de rekenkameronderzoekers Friesland, die het onderzoek uitvoerden. Met name: beperkt het 231a-onderzoek zich tot bedrijfsvoering of ligt het in de bedoeling van de wetgever om ook het gehele beleid periodiek te onderzoeken?

Deze vraag lijkt niet eerder in rekenkameronderzoeken grondig te zijn uitgezocht.

De rekenkamer Huizen heeft de Vereniging van Rekenkamers ondersteuning gevraagd bij het beantwoorden van die vraag. Namens de Taskforce Sterke Rekenkamers heeft Arjan Kok op basis van de wetsgeschiedenis de reikwijdte van artikel 213a in kaart gebracht en deze vraag beantwoord.

Reikwijdte artikel 213a-onderzoek: gemeentelijk beleid en bedrijfsvoering

De analyse laat zien dat artikel 213a van de Gemeentewet het gemeentebestuur een brede en integrale onderzoeksopdracht geeft. Gemeenten zijn op grond hiervan verplicht om periodiek onderzoek uit te voeren naar zowel het gevoerde beleid als de gemeentelijke bedrijfsvoering. De reikwijdte van het onderzoek beslaat de volledige beleidscyclus: van voorbereiding en besluitvorming tot uitvoering en uiteindelijke effecten. Daarnaast omvat het onderzoek de inrichting van de gemeentelijke organisatie in brede zin. Daarbij kan worden gedacht aan de personeelsformatie, de informatievoorziening en de administratieve organisatie, waarbij wordt beoordeeld of deze voldoen aan de gestelde eisen. Zowel de gemeenteraad als het college van burgemeester en wethouders zijn verantwoordelijk voor het borgen en uitvoeren van dit periodieke onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid.

Huizen: Gaat art.213a onderzoek over bedrijfsvoering, bestuur en / of beleid?

Bij de start van het rekenkameronderzoek in Huizen lijkt het college en de ambtelijke organisatie het 213a onderzoek te beperken tot alleen bedrijfsvoering. In strikte zin kan je niet over doeltreffendheid van bedrijfsvoering te spreken, als de doelstelling van het bestuur en beleid hierbij niet in het vizier is. In feite geldt dit ook voor doelmatigheid. Doelmatigheid is immers meer dan het beperken van uitgaven: het onderzoekt expliciet hoe de ingezette middelen zich verhouden tot de te bereiken doelen.

Een voorbeeld uit dit onderzoek is de organisatiescan die gemeente Huizen heeft laten uitvoeren door het onderzoeksbureau BMC1. Een belangrijke conclusie in dit rapport is: “Als u de dienstverlening op het huidige peil wilt handhaven, moet u meer ambtelijke capaciteit inzetten.” Gaat dit over doeltreffendheid of doelmatigheid? Het op peil houden van de huidige dienstverlening is uiteraard een doelstelling. Maar in de uitwerking wordt niet toegelicht hoe meer capaciteit bijdraagt aan betere dienstverlening. De uitspraak lijkt alleen te stellen: zonder uitbreiding van capaciteit is het behouden van dienstverlening onhaalbaar. Omdat een positieve onderbouwing ontbreekt kunnen we beter spreken over ‘negatieve doeltreffendheid’. Het lijkt daarbij alsof er over bedrijfsvoering, effectiviteit en efficiëntie gesproken kan worden zonder nader in te gaan op de positieve bijdrage van een investering in de kwaliteit en kwantiteit van dienstverlening. Dat kan een legitieme keuze zijn van een onderzoeksopdracht, en het is ook zinvol onderzoek voor artikel 213a, maar het heeft wel een beperkte zeggingskracht, omdat een positieve uitwerking van de doelstelling en/of verbetering ontbreekt.

Rol van de raad bij 213a-onderzoek

Een goede uitvoering van 213a-onderzoek vraagt, zowel formeel als in de praktijk, om afstemming tussen college en raad. De wetgever rekent daarbij nadrukkelijk op een actieve rol van de raad: “De raad dient regels te stellen voor regelmatig onderzoek door het college naar doelmatigheid en doeltreffendheid.” Formeel kan deze rol beperkt blijven tot het vaststellen van een verordening. In de praktijk heeft de raad echter veel te winnen bij een actievere betrokkenheid. Goed uitgevoerd 213a-onderzoek levert immers essentiële informatie op over de effectiviteit van beleid, de efficiëntie van de uitvoering en de mate waarin beleidsdoelen worden bereikt. Door hier actief op te sturen, versterkt de raad niet alleen zijn controlerende en kaderstellende rol, maar ook de kwaliteit van de lokale besluitvorming.

Uitkomst onderzoek: college geeft nauwelijks uitvoering aan onderzoekstaak

Uit het rekenkameronderzoek (Rekenkamer Huizen, februari 2026) blijkt dat het college niet voldoet aan de wettelijke verplichting uit artikel 213a. In de afgelopen jaren heeft het college nauwelijks gericht 213a-onderzoek uitgevoerd. De meeste door het college aangedragen onderzoeken voldoen niet aan de gestelde criteria. Hierdoor beschikt de gemeenteraad over onvoldoende informatie om zijn kaderstellende en controlerende rol goed te vervullen. Ook het college zelf mist de benodigde basis om te sturen op effectiviteit en efficiëntie. Daar komt bij dat de lokale verordening uit 2004 weinig houvast geeft voor een gestructureerde aanpak van 213a onderzoeken door het college en actieve betrokkenheid van de raad.

De invoering van een onafhankelijke concerncontroller in 2026 is een belangrijke eerste stap van het college om 213a-onderzoek structureel te organiseren. In combinatie met een geactualiseerde verordening en een meerjarig onderzoeksprogramma kan het college dit instrument versterken. Ook de gemeenteraad kan hier een actievere rol in nemen door nadrukkelijker te sturen op beleidsevaluatie. Zo kan 213a-onderzoek worden benut om het lerend vermogen van de organisatie te vergroten en de doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid en bestuur te verbeteren.

De bestuurlijke reactie

Het college geeft in haar reactie aan de conclusies en aanbevelingen van de rekenkamer te omarmen. Er is een nieuwe concerncontroller aangesteld die deze taak op zich neemt en het college ziet kans om het artikel 213a onderzoek te verbinden aan de lopende reorganisatie. Voor artikel 213a onderzoek wordt vanaf 2027 een budget van € 50.000 gereserveerd.

De reactie van de raad

Bij de commissiebehandeling op 21 mei 2026 waren twee geluiden te horen: sommige partijen beschouwen art.213a vooral een instrument voor het college dat weinig actieve betrokkenheid van de raad zou vragen. Andere partijen zoeken wel een actieve rol van de raad. Op de raadsvergadering van 3 juni 2026 is een motie in stemming gebracht om ook andere onderzoeken van de gemeente bij het art.213a programma te betrekken. Die motie heeft geen meerderheid gehaald.

Discussie: het belang van duidelijke doelstellingen

Het is ongetwijfeld relevant om de bedrijfsvoering van de gemeenteorganisatie periodiek tegen het licht te houden. Als daarbij niet expliciet gekeken wordt naar de doelstelling van het beleid, dan raakt de toetsing van het beleid op doeltreffendheid en doelmatigheid op de achtergrond. Daarom pleit de rekenkamer Huizen voor een nadrukkelijke verantwoording van doeltreffendheid en doelmatigheid, ook in artikel 213a onderzoek.

Doelstellingen van beleid: een voorbeeld

Stel een gemeente heeft het voornemen om 50 woningen te laten bouwen. Waarom 50 woningen? Is dat om een veld vol te bouwen? Om grondexploitatie te verhogen? Of om de jonge generatie Huizenaren aan een huis te helpen. Wat is daarvoor dan nodig?

De keuze van de doelstelling maakt veel uit of het bouwen van 50 huizen als doeltreffend kan worden aangemerkt. In de praktijk spelen er doorgaans meerdere doelstellingen. Door die doelen te wegen kan de raad kaders stellen en meegeven als opdracht aan het college.

Conclusie

Uitvoering van 213a-onderzoek draagt bij aan een periodieke evaluatie van het beleid. Het vestigt de aandacht op de doelstellingen van bestuur en beleid, en geeft een oordeel over bereikte doelen en efficiënte inzet van middelen.

Het omarmen van 213a-onderzoek en de bedoeling van de wetgever in haar brede omvang helpt de rekenkamer, de raad en het college om artikel 213a planmatig toe te passen over het gehele beleidsveld, zodat op termijn alle beleidsonderwerpen aan onderzoek worden onderworpen.

Voldoende aandacht voor de doelstellingen van het beleid maakt artikel 213a onderzoeken ook tot een volwaardige aanvulling van de onderzoeken van de rekenkamer.

Verschillende gemeenten, zoals Amersfoort en Rotterdam geven het goede voorbeeld met een meerjarig onderzoeksprogramma, dat periodiek alle beleidsvelden onderzoekt. Juist in kleinere gemeenten voorziet 213a-onderzoek in een behoefte omdat die gemeenten vaak geen ruimte hebben voor een zelfstandige onderzoeksafdeling.

Rekenkamers kunnen de uitvoering van 213a onderzoeken periodiek doorlichten en met aanbevelingen het college en de raad aansporen tot actieve evaluatie van het eigen beleid. De hernieuwde aandacht voor art.213a in Huizen is mede te danken aan de rekenkamer.


Het onderzoek en bijlagen zijn te vinden op de Website Rekenkamer Huizen

Voor informatie: Marien Abspoel, secretaris Rekenkamer Huizen, m.abspoel@huizen.nl


1 Het genoemde BMC-onderzoek is niet uitgevoerd als rekenkameronderzoek. De beperkingen in uitwerking van doeltreffendheid zijn dus geen kritiek op het rapport of BMC, wel een kritische kanttekening over de bijdrage gezien vanuit art.213a onderzoeksperspectief.

NB Naarmate de datum waarop dit bericht gepubliceerd is verder in het verleden ligt, neemt de actualiteitswaarde af. Ook kan het bericht ingehaald zijn door de nieuwe actualiteit. Raadpleeg indien nodig ook andere bronnen.